De taal
Sranantongo: 54 woorden die je in Paramaribo hoort
Sranantongo is de creooltaal van Suriname en de lingua franca van Paramaribo: Nederlands is de officiele taal, maar dit is wat je op straat en op de markt hoort. Hieronder 54 woorden, met uitspraak, hoe ze echt gebruikt worden en waar buitenstaanders de mist in gaan.
Begin met deze zes
Alle woorden
Groeten
- fa waka fa WA-ka
- hoe loopt het. De standaardbegroeting: fa is hoe, waka is lopen of gaan. Je zegt het tegen iedereen die je een beetje kent, van de buurman tot de verkoopster op de markt. Het gangbare antwoord is "bun" of "ala sani bun", alles goed. Iets formeler is "fa yu tan", hoe gaat het met u. In Nederland is fawaka als één woord de bekendste Sranan-uitdrukking geworden, ook bij mensen zonder Surinaamse achtergrond. Het gaat niet over lopen en het is geen vraag naar je gezondheid. Het is de sociale opening, en een kort "bun" is een volledig antwoord. Een uitgebreid verslag geven is de fout die bezoekers maken.
- grantangi gran-TAN-gie
- grote dank. Tangi is dank, gran is groot, grantangi is dus hartelijk dank. Kort "tangi" kan ook, precies zoals een kort bedankt. Grantangi is warmer en wordt gebruikt als iemand echt iets voor je heeft gedaan: op een begrafenis, in een toespraak, of tegen de vrouw die je haar recept heeft gegeven. Het is een van de woorden die vrijwel elke bezoeker meteen kan gebruiken zonder gek te klinken.
- san de san DEE
- wat is er. Informeler dan fa waka en meer onder leeftijdgenoten: san is wat, de is er zijn. Het functioneert precies als het Nederlandse "wat is er" of het Engelse "what is up". Het gebruikelijke antwoord is "noti", niets, ook als er van alles is. Je hoort het vaker van jongeren dan van ouderen. Gebruik het niet tegen iemand die veel ouder is of tegen een ambtenaar achter een loket. Daar hoort fa waka of gewoon Nederlands. Sranan kent register net zo goed als elke andere taal.
Dagelijks
- bigi BIE-gie
- groot. Bigi is groot, van het Engelse big, en het gaat lang niet altijd over afmetingen. Bigi sma is een volwassene of oudere, met respect. Bigi yari is een mijlpaalverjaardag. Bigi prisiri is een groot feest. Van iemand die zich laat voorstaan wordt gezegd dat hij bigi doet.
- bun boen
- goed. Bun is goed, als bijvoeglijk naamwoord, als bijwoord en als instemming. Het is het standaardantwoord op fa waka en het sluit talloze vaste uitdrukkingen af: waka bun, sribi bun, luku bun. Als los woord betekent het ook akkoord, prima. "Ala sani bun" is alles goed.
- dri drie
- drie. Dri is drie. De telwoorden zijn een van de plekken waar je goed hoort waar het Sranantongo vandaan komt: wan, tu, dri, fo, feifi, siksi, seibi, aiti, neigi, tin. Ze liggen dicht bij het Engels en het Nederlands tegelijk, wat het tellen voor een Nederlandstalige of Engelstalige bezoeker eenvoudig maakt. Op de markt wordt zelden in het Sranan geteld en vrijwel altijd in het Nederlands, met prijzen in SRD. De telwoorden zijn leuk om te kennen, maar afdingen doe je in het Nederlands.
- kon kon
- komen. Kon is komen, van het Engelse come, en het is een van de eerste werkwoorden die je oppikt omdat het overal in uitnodigingen zit: kon dya (kom hier), kon nyan (kom eten), kon na mi oso (kom bij mij thuis). In samenstellingen betekent het ook worden of ontstaan.
- krosi KRO-sie
- kleren. Krosi is kleding, van het Engelse clothes. Wasi krosi is de was doen. Het woord raakt aan wat in Suriname het meest zichtbare stuk cultuur is: de koto met de angisa, de gebonden hoofddoek van de Creoolse dracht, en de pangi, de gewikkelde doek van de Marrons. Beide zijn op de markt te koop en beide hebben eigen regels over wanneer je ze draagt. Een angisa is niet zomaar een hoofddoek: de manier waarop hij gevouwen is kan een boodschap dragen. Koop er gerust een, maar ga er niet van uit dat je hem draagt zoals iemand die het van huis uit kent.
- luku LOE-koe
- kijken. Luku is kijken, van het Engelse look. De vorm die je het vaakst hoort is "luku bun", letterlijk kijk goed, en dat betekent pas op of wees voorzichtig. Het wordt ook als waarschuwing gebruikt zonder dat er direct gevaar is, meer in de zin van let op je zaak. "Luku bun" is geen compliment over hoe iets eruitziet. Het is een waarschuwing.
- ogri O-grie
- slecht, kwaad. Ogri is slecht, gemeen of naar, en als zelfstandig naamwoord kwaad of onheil. Het woord wordt algemeen aan het Engelse ugly gekoppeld, maar de betekenis is verschoven van lelijk naar slecht. Ogri-ai, letterlijk slecht oog, is het boze oog: het idee dat afgunst schade kan aanrichten, een voorstelling die in Suriname breed leeft. Ogri betekent niet lelijk, ook al lijkt het op ugly. Iemand ogri noemen gaat over zijn gedrag.
- safu SA-foe
- zacht. Safu is zacht: van stem, van textuur, van karakter. Verdubbeld tot "safu safu" betekent het rustig aan, voorzichtig, langzaam. Het is de tegenhanger van tranga, en voor eten betekent het gaar tot zacht gekookt, wat bij cassave en bananen een kwaliteitsoordeel is.
- sribi SRIE-bie
- slapen, slaap. Sribi is slapen en slaap, van het Engelse sleep. "Mi abi sribi" is ik ben slaperig, met dezelfde hebben-constructie als bij honger. "Sribi bun" is welterusten. Wie in het binnenland in een hangmat slaapt, hoort het woord meteen in de praktijk.
- taki TA-kie
- praten, zeggen. Taki is praten en zeggen, van het Engelse talk. Het zit in de naam van de taal (Sranantongo) en in taki tori, bijpraten. Grammaticaal doet taki nog iets extra: het leidt indirecte rede in, ongeveer als het Nederlandse "dat". "A taki dati a no man kon" is hij zei dat hij niet kon komen. De verdubbeling "taki taki" als naam voor de taal is geen Sranan maar een van buitenaf opgelegde bijnaam, en die klinkt kleinerend. Zeg Sranantongo of Sranan.
- tranga TRAN-ga
- sterk, hard. Tranga is sterk, hard, stevig, en overdrachtelijk koppig. Tranga yesi, letterlijk sterke oren, betekent ongehoorzaam en is wat ouders tegen kinderen zeggen die niet luisteren. Van een persoon die veel heeft doorstaan wordt gezegd dat hij tranga is, en dat is een compliment. Tranga yesi gaat niet over gehoor. Het is precies het omgekeerde van wat de letterlijke vertaling suggereert: oren die te sterk zijn om te luisteren.
- tu toe
- twee; ook. Tu is twee, en het is ook het woord voor "ook", achter datgene waar het bij hoort: "mi tu" is ik ook. Die dubbele functie komt uit het Engels, waar two en too hetzelfde klinken, en het Sranantongo heeft de twee in één vorm samengenomen.
- waka WA-ka
- lopen, gaan. Waka is lopen en bij uitbreiding gaan, reizen, verlopen. Daarom betekent fa waka hoe gaat het. Als afscheid zeg je "waka bun", letterlijk loop goed, wat neerkomt op goede reis of het ga je goed. Voor een stadswandeling is waka ook gewoon het letterlijke woord.
- wan wan
- een (telwoord en lidwoord). Wan is het telwoord één en tegelijk het onbepaald lidwoord een. "Wan oso" is dus meestal gewoon een huis, niet één huis. Het bepaalde lidwoord is a in het enkelvoud en den in het meervoud: a oso is het huis, den oso zijn de huizen. Wan zit ook in wan tron (één keer) en in wan sma (iemand). Beginners horen in elke wan een nadrukkelijke "één". Meestal is het gewoon "een", en de nadruk zit dan in de toon of in een extra woord.
- watra WA-tra
- water. Watra is water in alle betekenissen: drinkwater, regen, de rivier. Sei is kant, dus de waterkant is in het Sranan de watrasei. Watra zit in veel samenstellingen, van watrakan (kan water) tot de namen van kreken en plaatsen. Het kraanwater in Paramaribo geldt over het algemeen als drinkbaar, al houden veel bezoekers het op flessenwater.
Eten en drinken
- alesi a-LEE-sie
- rijst. Alesi is rijst, het basisvoedsel van de Surinaamse keuken, en het woord wordt algemeen aan het Portugese arroz gekoppeld. Rijst is in Suriname ook landbouw: het district Nickerie is het rijstgebied van het land. Op de markt vind je naast gewone rijst ook hei gron alesi, rijst van de hoge grond, die door Marronverkoopsters wordt aangeboden.
- angri AN-grie
- honger. Angri is honger, van het Engelse hungry, en je hebt het: "mi abi angri". Het woord wordt ook breder gebruikt voor sterk verlangen naar iets. Voor mensen in de diaspora slaat angri vaak op één specifiek gerecht dat in Nederland net niet hetzelfde smaakt. De constructie is "mi abi angri", ik heb honger, niet "mi angri". Dat laatste klinkt als een half afgemaakte zin.
- dyogo DJO-go
- grote fles bier. De dyogo is de grote fles Parbo Bier van een liter, en daarmee de eenheid waarin in Suriname bier wordt gedronken. Je bestelt er één voor de tafel, hij komt ijskoud in een koelhoes, en er worden kleine glaasjes bij gezet zodat iedereen meedrinkt voordat het warm wordt. Het delen is de hele reden dat het formaat bestaat. Een dyogo is niet bedoeld voor één persoon. Hem alleen leegdrinken uit een groot glas mist het punt: de kleine glaasjes zijn er zodat het koud blijft en zodat er wordt gedeeld.
- fisi FIE-sie
- vis. Fisi is vis, van het Engelse fish. Suriname eet zowel zeevis als rivier- en zwampvis, en dat verschil hoor je op de markt: de namen van de zoetwatervissen komen vaak uit het Sranan of uit inheemse talen. Bakkeljauw, gezouten en gedroogde vis, is een categorie apart en zit in gerechten als heri heri.
- meti MEE-tie
- vlees. Meti is vlees in het algemeen, van het Engelse meat, en ook dier. Moksi meti is gemengd vlees, meestal kip met varken en gerookt vlees door elkaar. In het binnenland dekt meti ook wild, en dan is het handig om te vragen om welk dier het gaat voordat je bestelt.
- moksi MOK-sie
- gemengd, mengen. Moksi betekent gemengd. Het is geen gerecht, het is het woord dat je voor een gerecht zet: moksi alesi is gemengde rijst, moksi meti is gemengd vlees (meestal kip, varken en gerookt vlees door elkaar). Buiten de keuken werkt het net zo goed: moksi patu is een pan waar van alles in gaat, en van een gemengd gezelschap kun je zeggen dat het moksi is. Dat mengen is precies de reden dat het woord in Suriname zo goed valt. De meest gemaakte fout: denken dat moksi de naam van een gerecht is en "een moksi" bestellen. Dat is als "een gemengde" bestellen. Het gerecht heet moksi alesi, gemengde rijst, en elke familie maakt hem anders.
- nyan njan
- eten (werkwoord). Nyan is eten als werkwoord, en verdubbeld tot nyanyan is het het eten zelf. Het woord is verwant aan het nyam dat in andere Atlantische creooltalen voorkomt, zoals het Jamaicaans; de precieze West-Afrikaanse bron wordt betwist. "Kon nyan" is de standaarduitnodiging aan tafel en in Suriname is dat geen beleefdheidsformule maar een verwachting. Weiger niet uit beleefdheid. "Kon nyan" afslaan wordt in Suriname als afstandelijk ervaren; een klein bordje aannemen is het juiste antwoord, ook als je net gegeten hebt.
- sopi SO-pie
- sterke drank. Sopi is sterke drank, in de praktijk meestal rum. Suriname heeft een eigen rumtraditie, met Borgoe als bekendste merk, en rum zit ook in oso dresi: kruiden worden erop getrokken. In Afro-Surinaamse rituele context wordt sopi geplengd, een scheut op de grond voor de voorouders, voordat er wordt gedronken. Als iemand een scheut op de grond gooit voor het inschenken, is dat geen morsen. Zeg er niets van en wacht gewoon.
- trefu TREE-foe
- voedselverbod. Een trefu is een voedsel dat een bepaald persoon niet mag eten. Het is persoonlijk of geërfd via de familielijn, hangt samen met winti, en wie zijn trefu eet wordt er ziek van. Het woord komt via het Nederlandse treife uit het Jiddisch en Hebreeuws, een tweede spoor van de Joodse geschiedenis in het Sranantongo, maar de praktijk zelf is Afro-Surinaams. Welk dier of gerecht het betreft verschilt per persoon en per familie. Een trefu is geen allergie, geen dieet en geen voorkeur, en het is ook geen algemeen verbod: hetzelfde gerecht dat voor de een trefu is, eet de ander zonder probleem. Serveer je eten aan Surinaamse gasten, vraag dan niet alleen naar allergieën maar ook of iemand een trefu heeft.
Mensen
- bakra BA-kra
- witte persoon, Europeaan. Bakra is de aanduiding voor een witte, in Suriname meestal specifiek een Nederlander. Bakra kondre is Nederland. Het woord wordt algemeen in verband gebracht met het Efik mbakara en is verwant aan het buckra of backra dat in andere Caribische talen voorkomt. In de koloniale tijd sloeg het op de blanke meester, en die geschiedenis zit er nog in: in het dagelijks gebruik is bakra beschrijvend en neutraal, maar het kan met de juiste toon ook als verwijt klinken. Als bezoeker kun je het woord horen zonder dat het een belediging is; het beschrijft je gewoon. Zelf anderen bakra noemen is een ander verhaal: dat is een woord dat bij de sprekers hoort, niet bij de bezoeker, en de betekenis hangt volledig aan wie het zegt.
- boi boi
- jongen. Boi is een jongen of jonge man, en daarnaast een aanspreekvorm tussen mannen onderling, ongeveer als "gozer" of "man". Los aan het begin van een zin functioneert "boi" als een uitroep van verbazing of nadruk, vergelijkbaar met "jongen toch". Gebruik het niet tegen een oudere man. Dat is niet joviaal maar respectloos, en de historische lading van "boy" tegen zwarte mannen maakt het extra ongelukkig uit de mond van een bezoeker.
- man man
- man; kunnen. Man is de man, maar het is ook een hulpwerkwoord dat kunnen betekent. "Mi man" is ik kan, "mi no man" is ik kan niet. Die tweede betekenis hoor je in de praktijk vaker dan de eerste, en "mi no man moro" (ik kan niet meer) is een van de meest gebruikte zinnen van de taal, van uitputting tot vertedering. "Mi no man" betekent ik kan het niet, en niet ik ben geen man. Dat is de klassieke verwarring voor wie het woord alleen als zelfstandig naamwoord kent.
- mati MA-tie
- vriend, maat. In het dagelijks gebruik is mati gewoon vriend of maat, en zo hoor je het het vaakst. Daarnaast heeft het woord een specifieke betekenis in de Afro-Surinaamse geschiedenis: mati wroko, het matiwerk, is de benaming voor intieme relaties tussen vrouwen binnen Creools-Surinaamse gemeenschappen, een traditie die uitgebreid is beschreven in het antropologisch onderzoek van Gloria Wekker. Dat gebruik is niet verdwenen en het is voor veel mensen geen randverschijnsel maar een deel van de eigen familiegeschiedenis. Ga niet zelf aan de haal met de tweede betekenis. In een gesprek betekent mati bijna altijd gewoon vriend, en de betekenis mati wroko benoem je alleen als iemand er zelf over begint.
- pikin pie-KIEN
- klein, kind. Pikin is klein en kind tegelijk. "Wan pikin sani" is een klein dingetje, "a pikin" is het kind. Het woord gaat algemeen terug op het Portugese pequeno en komt in verwante vorm in meer Atlantische creooltalen voor. In samenstellingen is het overal: uma pikin is een meisje, man pikin een jongen, en "pikin moro" betekent een beetje meer. In het Engels bestaat een verwant woord dat als racistisch scheldwoord is gebruikt. In het Sranantongo heeft pikin die lading niet: het is een gewoon, alledaags woord voor klein en voor kind. Verwar de twee niet.
- sma sma (één lettergreep)
- iemand, mens. Sma is persoon of mensen, algemeen te herleiden tot het Engelse somebody. Het is het woord waarmee je over mensen praat zonder ze te benoemen: "den sma" zijn de mensen, "wan bun sma" is een goed mens. Bigi sma is letterlijk een groot mens en betekent volwassene of oudere, met respect erin. In jongerentaal betekent "mi sma" mijn vriendin of mijn partner. Bigi sma gaat niet over lichaamsomvang. Iemand bigi sma noemen is een compliment over leeftijd en status, niet een opmerking over postuur.
- uma OE-ma
- vrouw. Uma is het neutrale woord voor vrouw en is te herleiden tot het Engelse woman. Het werkt ook als bepaling van geslacht in samenstellingen: uma pikin is een meisje, tegenover man pikin voor een jongen. Van een dier zeg je op dezelfde manier of het een uma of een man is.
- wenke WEN-ke
- meisje, jonge vrouw. Wenke is een meisje of jonge vrouw, de tegenhanger van boi. Het is informeel en de toon bepaalt alles: uit de mond van een tante is het hartelijk, van een onbekende man op straat is het dat niet. Voor een volwassen vrouw is uma het neutrale woord. Verwar wenke niet met wenkri, dat winkel betekent (van het Nederlandse winkel). De twee woorden liggen in uitspraak dicht bij elkaar en dat levert de standaardvergissing op.
Huis en buurt
- birti BIR-tie
- buurt, omgeving. Birti komt van het Nederlandse buurt en betekent zowel de buurt als de nabijheid van iets: "na mi birti" is bij mij in de buurt. In Paramaribo is de birti een reële sociale eenheid, met een eigen winkel, een eigen warung en buren die weten wie er thuis is. Blauwgrond is voor veel bezoekers de eerste birti die ze bij naam leren, vanwege het eten.
- dorosei DO-ro-sei
- buitenkant, buiten. Doro is deur, sei is kant, dorosei is dus buiten. Dat woord doet in Suriname meer werk dan in Nederland, want een groot deel van het leven speelt zich buiten af: eten, wassen, praten, wachten tot het koeler wordt. "Na dorosei" is buiten, tegenover "na ini", binnen.
- dyari DJA-rie
- erf, tuin. De dyari is het erf om het huis, en in Suriname is dat de belangrijkste ruimte van het huishouden. Daar wordt gekookt op houtskool, daar staat de was, daar zitten mensen in de avond en daar worden gasten ontvangen, vaak eerder dan binnen. Wie in Paramaribo bij iemand thuis komt, brengt de meeste tijd door in de dyari en niet in de woonkamer. Vertaal het niet met tuin in de Nederlandse zin van een aangelegd stukje groen. Een dyari is een gebruiksruimte: zand of gras, fruitbomen, een pan op het vuur, plastic stoelen.
- oso O-so
- huis, thuis. Oso is huis en thuis tegelijk, en het is een van de productiefste woorden van de taal. Oso dresi is huismiddel, kruidenmedicijn. Dede oso is het rouwhuis, waar in de nachten na een overlijden wordt gewaakt. Wroko oso is werkplaats, dyari oso hoort bij het erf. Het gaat bijna nooit over het gebouw alleen, het gaat over het huishouden dat erin zit. Oso is niet hetzelfde als een adres. "Na oso" betekent thuis, bij de familie, en een uitnodiging "kon na mi oso" gaat over het erf en de mensen, niet over een rondleiding door het pand.
Cultuur en geloof
- dede DE-de
- dood, gestorven. Dede is dood, als toestand en als gebeurtenis. Het woord dat je het vaakst tegenkomt is dede oso, letterlijk doodshuis: de nachten waarin familie en buren bij het huis van de overledene samenkomen om te waken, met koffie, liederen, verhalen en spelletjes tot in de ochtend. Bij Afro-Surinaamse families hoort daar ook de aiti dei bij, de achtste dag na het overlijden, met een eigen bijeenkomst. Rouw is in Suriname collectief en duurt langer dan één plechtigheid. Een dede oso is geen feest, ook al wordt er gelachen en gespeeld. Dat is precies het punt: de familie wordt gezelschap gehouden. Ga alleen als je bent uitgenodigd, kleed je netjes, en fotografeer niet.
- dresi DRE-sie
- medicijn, behandelen. Dresi is medicijn en ook het werkwoord behandelen of verzorgen; het gaat terug op het Engelse to dress, een wond verzorgen. Het bekendste gebruik is oso dresi, letterlijk huismedicijn: de kruidengeneeskunde die in families wordt doorgegeven en die vaak op sterke drank wordt getrokken. Op de Vreedzaammarkt naast de Centrale Markt verkopen Marronvrouwen precies dat, naast plantenoliën als krapa en neem. Oso dresi is voor de verkoopsters geen folklore maar handel in dingen die werken. Behandel het niet als souvenir en vraag wat iets doet voordat je iets koopt; sommige bereidingen zijn sterk en niet bedoeld voor wie niet weet waar hij mee bezig is. Op de Vreedzaammarkt is fotograferen ongewenst.
- gado GA-do
- god. Gado is God, en het woord functioneert in kerk en in dagelijkse taal. Het Sranantongo heeft een lange geschreven kerkelijke traditie: de Evangelische Broedergemeente, de hernhutters, gebruikte de taal in de negentiende eeuw al voor prediking en bijbelvertaling, wat er mede voor zorgde dat Sranan op schrift kwam. "Mi Gado" is een dagelijkse uitroep, zonder dat het religieus bedoeld hoeft te zijn. Gado is niet automatisch de christelijke God. In winti-context verwijst het naar de scheppende god, en veel Surinamers bewegen zonder moeite tussen beide kaders.
- kaseri ka-SEE-rie
- ritueel rein, koosjer. Kaseri komt van het Hebreeuwse kasjer, koosjer, en is via de Portugees-Joodse gemeenschap in Suriname in het Sranantongo terechtgekomen. De betekenis is daar verbreed: kaseri is ritueel rein of zuiver in algemene zin, en het woord wordt onder meer in winti-context gebruikt voor wat schoon en in orde is. Het is een van de duidelijkste sporen die de Joodse geschiedenis van Suriname in de dagelijkse taal heeft achtergelaten. Kaseri betekent in het Sranantongo niet dat iets aan Joodse spijswetten voldoet. Dat een Afro-Surinaams ritueel woord uit het Hebreeuws komt, zegt iets over hoe verweven de gemeenschappen in Suriname zijn geweest, en niet dat de praktijken hetzelfde zijn.
- konfriyari kon-frie-JA-rie
- verjaardag. Verjaardag, ook als friyari. In Suriname is dat geen uurtje op de bank maar een open dag: mensen komen langs wanneer het uitkomt, er staat eten klaar, en de jarige zit de hele dag thuis. Feliciteren doe je met "fristeri", van het Nederlandse feliciteren. Een bigi yari is een mijlpaalverjaardag, waarvoor een zaal wordt gehuurd en waar het hele netwerk op af komt. De Nederlandse gewoonte om de hele kring te feliciteren is in Suriname niet vreemd, maar de tijdsindeling wel: er is geen aanvangstijd en geen afsluiting. Kom je om twee uur en om acht uur zit het nog vol, dan klopt dat.
- odo O-do
- spreekwoord. Een odo is een spreekwoord. Het Sranantongo heeft er honderden en ze worden nog gebruikt: in een toespraak, in een preek, of gewoon om een discussie te beëindigen. Odo zijn beeldend, meestal met dieren of het bos erin, en veel ervan gaan over geduld, roddel en de gevolgen van je eigen gedrag. Ze zijn verzameld in de Sranan-woordenboeken en in aparte bundels. We drukken hier bewust geen lijstje odo af. De bewoording verschilt per familie en per bron, en een spreekwoord dat je verkeerd citeert is erger dan geen spreekwoord. Vraag ze aan iemand die ze van huis uit kent.
- Sranantongo SRA-nan-TON-go
- Surinaamse taal. Sranan is Suriname, tongo is taal, en Sranantongo is de naam van de taal zelf. Het is een creooltaal met een overwegend Engelse woordenschat, plus Nederlandse, Portugese en West-Afrikaanse elementen, ontstaan op de plantages. Het is niet de officiële taal (dat is het Nederlands) maar wel de lingua franca: het is de taal waarin bevolkingsgroepen die onderling geen taal delen elkaar in Paramaribo verstaan. Kort noemen sprekers het gewoon Sranan. Noem het geen "Taki Taki". Die naam is van buitenaf opgeplakt en klinkt voor veel sprekers kleinerend, alsof het geen echte taal is. Het is een taal met een eigen grammatica, een officiële spelling en een geschreven literatuur. En het is niet "gebroken Nederlands": de woordenschat is grotendeels Engels van oorsprong.
- winti WIN-tie
- wind. Winti is de Afro-Surinaamse religie: een samenhangend geheel van West-Afrikaanse geloofsvoorstellingen zoals die in Suriname zijn voortgezet, met een scheppende god, voorouders en een reeks winti, geesten die met natuurdomeinen verbonden zijn. Het woord betekent letterlijk wind en duidt zowel de religie als een afzonderlijke geest aan. Onder koloniaal recht was de praktijk strafbaar; het verbod werd pas in 1971 opgeheven. Voor veel Surinamers is winti nu gewoon onderdeel van het leven, soms naast kerk of moskee. Winti is geen folklore, geen bijgeloof en geen voodoo. Het is een levende religie met eigen priesters, liederen en regels, en mensen die eraan doen zijn niet per definitie ook niet-christelijk. Reisgidsen die het als exotisch schouwspel beschrijven zitten er naast. Ceremonies zijn geen bezienswaardigheid: je gaat er alleen heen als je bent uitgenodigd, en je fotografeert er niet.
Uitdrukkingen
- brasa BRA-sa
- omhelzing, omhelzen. Een brasa is een omhelzing, en brasa is ook het werkwoord. Het woord gaat terug op het Portugees (abraço, abraçar), een van de talen die in de vroegste fase van het Sranantongo meespeelde. Als afscheidsgroet aan het eind van een bericht of gesprek is "brasa" heel gewoon, ook geschreven. Het duikt bovendien geregeld op in namen van Surinaams-Nederlandse culturele initiatieven, waar het staat voor omarming en verbinding.
- faya FA-ja
- vuur, heet. Faya is vuur en alles wat heet is: de zon, een pan, peper. Overdrachtelijk is het felheid, ruzie of gedoe. Het bekendste gebruik is faya lobi, letterlijk vurige liefde, de Surinaamse naam voor de knalrode Ixora coccinea die overal in tuinen en langs erven staat en die als bloemsymbool van het land geldt. De plant zie je in Paramaribo vaker dan welke andere bloeier ook. In de Nederlandse straattaal is faya iets heel anders gaan betekenen: vervelend, pijnlijk, gênant ("dat is faya"). Die betekenis komt uit Nederland en niet uit het Sranantongo zoals het in Paramaribo klinkt. Zeg in Suriname dus niet "a de faya" als je bedoelt dat iets naar is.
- mi gudu mie GOE-doe
- mijn schat, mijn rijkdom. Gudu is rijkdom, bezit, iets kostbaars. Mi gudu is dus letterlijk mijn schat en het is een van de warmste aanspreekvormen die de taal heeft. Ouders zeggen het tegen kinderen, geliefden tegen elkaar, en oma zegt het tegen iedereen. Voor veel mensen in de diaspora is dit het woord dat ze het eerst terughoren als ze aan hun grootouders denken. Het is intiem. Tegen een onbekende gebruiken kan familiair overkomen, ongeveer zoals een vreemde die je "lieverd" noemt.
- no span no SPAN
- niet spannen. Rustig maar, maak je geen zorgen, het komt goed. Span komt van spannen, gespannen zijn. Dit is jong, stedelijk taalgebruik: je hoort het in Paramaribo en nog meer in de Randstad, waar het via Surinaams-Nederlandse jongeren gemeengoed is geworden. Het is geen oud Sranan en het staat niet in de klassieke woordenboeken, maar het is wel een van de meest gebruikte uitdrukkingen van nu. Tegen iemand van zeventig zeggen "no span" komt over als brutaal. Het hoort onder vrienden en leeftijdgenoten.
- prisiri prie-SIE-rie
- plezier, vreugde. Prisiri is plezier, en als bijvoeglijk gebruik ook leuk of vrolijk. Het woord staat centraal bij alles wat gevierd wordt: verjaardagen, Owruyari op 31 december, een feest op het erf. "Bigi prisiri" is groot plezier. Waar switi over de kwaliteit van iets gaat, gaat prisiri over de stemming van de mensen.
- switi SWIE-tie
- zoet, lekker. Switi is het woord voor lekker, en dan niet alleen voor eten. Een feest is switi, muziek is switi, een middag met familie is switi. Het is een van de meest gebruikte waarderende woorden in het Sranantongo en je hoort het van alle generaties. "Switi Sranan" is de koosnaam voor het land zelf, vooral in de mond van mensen die er niet meer wonen. Switi betekent hier niet "zoet van suiker". Een pittige roti is ook switi. Wil je zoet in de smaakzin, dan is dat meestal duidelijk uit de context of zeg je erbij waar het om gaat.
- tori TO-rie
- verhaal. Tori is verhaal, nieuws en kwestie in één. "San na a tori" is wat is er aan de hand. Taki tori is bijpraten, en dat is een sociale activiteit op zich: uren op het erf zitten en tori uitwisselen. Een tori kan ook een probleem zijn ("a de wan tori", het is een gedoe) of geklets ("no meki tori", maak er geen zaak van). In het Surinaams-Nederlands is het woord gewoon meegegaan. Tori is niet per se een verzonnen verhaal. Het nieuws op de radio is ook tori. De vertaling "verhaaltje" maakt het kleiner dan het is.
Veelgestelde vragen
Wat is Sranantongo?
Sranantongo is de creooltaal van Suriname en de lingua franca van Paramaribo. De woordenschat komt vooral uit het Engels, met Nederlandse, Portugese en West-Afrikaanse invloeden. Nederlands is de officiele taal, maar op straat, op de markt en thuis wordt Sranantongo door vrijwel iedereen verstaan, ongeacht of iemand daarnaast Sarnami, Javaans of Chinees spreekt.
Hoeveel talen worden er in Suriname gesproken?
Meer dan twintig. Naast het Nederlands als officiele taal en Sranantongo als lingua franca zijn er onder meer Sarnami, Surinaams-Javaans, de Marronstalen (waaronder Saramaccaans en Aukaans), Chinese talen en de inheemse talen zoals Karina en Lokono.
Moet ik Sranantongo leren voor een reis naar Suriname?
Nee, met Nederlands of Engels kom je in Paramaribo overal. Maar een handvol woorden verandert wel iets: fa waka als groet, of switi als compliment voor het eten in een warung, levert bijna altijd een reactie op. Deze lijst van 54 woorden is precies daarvoor bedoeld.
Wat betekent switi?
Switi betekent letterlijk zoet, maar wordt in Suriname veel breder gebruikt voor alles wat goed, lekker of fijn is. Switi is ook de eerste helft van onze eigen naam, Switi Tours.
De taal hoor je het best op straat
Op de foodtour door Paramaribo hoor je deze woorden waar ze thuishoren: op de markt, in de warung en bij de kraam. De gids vertaalt mee.